ECLI:NL:CRVB:2005:AT4067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en maatvrouwloon in WAO-uitkering
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om haar geen WAO-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% per 19 juni 2001. De rechtbank heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en het beroep van appellante afgewezen. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar fysieke beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld, met name door klachten van carpaal tunnelsyndroom en huidproblemen, en dat het maatvrouwloon onjuist is vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep heeft de overwegingen van de rechtbank gevolgd. Uit medisch onderzoek blijkt dat appellante geschikt is voor alternatieve functies met een loonwaarde die geen verlies aan verdiencapaciteit oplevert. De klachten die appellante na de datum in geding ontwikkelde, zoals het carpaal tunnelsyndroom, worden buiten beschouwing gelaten. Het maatvrouwloon is volgens de Raad correct vastgesteld op basis van het loon dat appellante verdiende voor haar werkloosheid, inclusief de CAO-loonsverhoging tot 1 juli 2000.
De Raad oordeelt dat er geen medische of andere gegevens zijn die het oordeel van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige ondermijnen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot weigering van een WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.