ECLI:NL:CRVB:2005:AT3864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid tot maatgevende arbeid na auto-ongeval
Appellant, laatstelijk werkzaam als lasser, raakte arbeidsongeschikt na een auto-ongeval op 27 juni 2002. Diverse medische onderzoeken, waaronder door verzekeringsartsen en een psychiater, concludeerden dat appellant op en na 11 december 2002 geschikt was om zijn arbeid te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit tot beëindiging van het ziekengeld ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn fysieke en psychische belastbaarheid werd onderschat en stelde dat er sprake was van een posttraumatische stressstoornis (PTTS). De Raad nam het rapport van bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen mee, die stelde dat er op de relevante datum geen sprake was van een psychiatrische toestand die werkonbekwaamheid rechtvaardigde.
De Raad hechtte geen doorslaggevende waarde aan de subjectieve beleving van appellant zonder medische onderbouwing en zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het bestreden besluit tot beëindiging van het ziekengeld werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.