ECLI:NL:CRVB:2005:AT3821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over uitlooptermijn bij verlaging WAO-uitkering na ziekmelding
De zaak betreft een geschil over de toepassing van een uitlooptermijn bij de verlaging van een WAO-uitkering na een periode van ziekmelding. De appellant, het UWV, had de WAO-uitkering van de gedaagde herzien en verlaagd per 1 juli 2001, nadat de gedaagde zich ziek had gemeld wegens een operatie. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat zij vond dat een uitlooptermijn van twee maanden had moeten worden toegepast.
In hoger beroep stelde het UWV dat het hier ging om een terugwerkende kracht van de wijziging, waarvoor geen uitlooptermijn geldt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999 niet van toepassing is op situaties waarin een uitkering wordt toegekend of ingetrokken over een afgesloten periode zonder voorafgaande schriftelijke aanzegging.
De Raad stelde vast dat de ratio van de uitlooptermijn, namelijk het zich kunnen instellen op arbeidsmogelijkheden, niet opgaat bij terugwerkende wijzigingen. Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank voor zover het het WAO-besluit betrof en verklaarde het beroep ongegrond. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
De uitspraak bevestigt dat bij terugwerkende herzieningen van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen geen uitlooptermijn hoeft te worden verleend, wat van belang is voor de uitvoering van sociale zekerheidswetten en de rechtspositie van verzekerden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat geen uitlooptermijn vereist is.