ECLI:NL:CRVB:2005:AT3668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-medewerking aan krediethypotheek
Appellanten ontvingen van 1994 tot 2001 een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). De gemeente had aanvankelijk afgezien van het vestigen van een krediethypotheek op de eigen woning vanwege afwezigheid van relevante overwaarde en medische omstandigheden van appellant. Later besloot de gemeente toch tot het vestigen van een krediethypotheek en beëindigde zij de bijstand per 1 september 2001 wegens het uitblijven van medewerking van appellanten.
Appellanten reageerden niet op verzoeken om een bereidverklaring te ondertekenen, waarna de gemeente de bijstand beëindigde en terugvorderde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar de Raad vernietigt dit oordeel omdat de rechtbank ten onrechte de beëindiging als een tijdelijke weigering van bijstand beoordeelde.
De Raad oordeelt dat appellanten niet voldeden aan hun medewerkingsplicht en dat de beëindiging van de bijstand terecht was. Wel stelt de Raad vast dat het terugvorderingsbesluit onvolledig was omdat het bedrag niet was vermeld, waardoor dit besluit niet als een formeel besluit kan worden aangemerkt. Daarom verklaart de Raad het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk en veroordeelt de gemeente in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De bijstand wordt terecht beëindigd wegens niet-medewerking, maar het terugvorderingsbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvolledigheid.