ECLI:NL:CRVB:2005:AT3485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Weigering rolstoelbus in bruikleen voor gehandicapte minderjarige niet onrechtmatig
Appellant, een minderjarige met een neurologische stoornis en rolstoelafhankelijk, vroeg op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een rolstoelbus in bruikleen aan. Deze aanvraag werd door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam afgewezen, omdat volgens het regionaal indicatieorgaan een combinatie van andere vervoersvoorzieningen de goedkoopste adequate voorziening vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, stellende dat de huidige voorzieningen voldoende waren om sociale contacten te onderhouden en dat de voorkeuren van appellant niet doorslaggevend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat praktische problemen zoals incontinentie, psychische beperkingen en het niet kunnen reizen met vreemden onvoldoende werden meegewogen.
De Raad oordeelde dat de verstrekte combinatie van voorzieningen inderdaad de goedkoopste adequate voorziening is, mede gelet op de rapportages van het indicatieorgaan en het ontbreken van tegenbewijs. Argumenten over incontinentie en psychische beperkingen faalden, mede omdat collectief vervoer niet mogelijk werd geacht en appellant reeds met taxi werd vervoerd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen wegens gebrek aan concretisering.
De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de rolstoelbus in bruikleen en verklaart het beroep ongegrond.