ECLI:NL:CRVB:2005:AT3345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 1994 in dienst bij zijn werkgever en werd op 15 januari 2001 op staande voet ontslagen nadat hij weigerde leidinggevende taken voort te zetten wegens niet nagekomen salarisafspraken. De ontslagvergunning werd geweigerd en het ontslag ingetrokken, maar de werkgever betaalde het salaris over de periode vanaf het ontslag pas later. Appellant meldde zich ziek en verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, wat op 16 mei 2001 werd toegewezen met een vergoeding.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd wegens een fictieve opzegtermijn en later blijvend geheel geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Raad oordeelt echter dat appellant niet verwijtbaar werkloos is geworden omdat de werkgever geen acute reden had voor het ontslag, het salaris te laat betaalde en de arbeidsverhouding ernstig verstoord was.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, beveelt het UWV tot hernieuwde besluitvorming en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten aan appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen.