ECLI:NL:CRVB:2005:AT3088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- C.P.M. van de Kerkhof
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte WW-uitkering bij gedeeltelijk arbeidsurenverlies en dagloonberekening
Appellant, werkzaam als assistent-accountant met een fulltime dienstverband van 38 uur en daarnaast een parttime baan van 25 uur, kreeg per 2 juli 2001 een WW-uitkering toegekend. De hoogte van deze uitkering werd vastgesteld op €40,25 per dag, berekend als 25/63 van 70% van het maximumdagloon, waarbij 25 de verloren arbeidsuren en 63 het totaal aantal arbeidsuren betrof.
Appellant stelde dat hij aanspraak maakte op een hogere uitkering gebaseerd op zijn parttime verdiensten, omdat hij 100% van die arbeidsuren had verloren. De rechtbank had echter geoordeeld dat de berekening van het dagloon moet uitgaan van het totaal van zijn verdiensten uit beide dienstverbanden, conform artikel 4 van Pro de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.
De Raad overwoog dat artikel 47 lid 2 WW Pro ziet op gedeeltelijk arbeidsurenverlies en dat de gehanteerde reductiefactor passend is. Ook wees de Raad op de maximering van het dagloon volgens artikel 9 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering, waardoor een hogere uitkering op basis van alleen de parttime betrekking niet mogelijk is. De eerdere andere berekening door gedaagde in vergelijkbare situaties is niet relevant voor de huidige correcte toepassing van de wet. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering correct is berekend met toepassing van een reductiefactor en het maximumdagloon.