ECLI:NL:CRVB:2005:AT3056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-wachttijd bij arbeidsongeschiktheid door zwangerschap
Appellante stelde beroep in tegen een besluit waarbij een WAO-uitkering werd toegekend aan een werknemer die arbeidsongeschikt was geraakt door complicaties bij zwangerschap en bevalling. De rechtbank had geoordeeld dat de zwangerschapsperiode niet mee mocht tellen voor de wachttijd van de WAO-uitkering. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, handhaafde dit besluit niet en stelde een nieuwe ingangsdatum vast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat het eerdere besluit niet langer werd gehandhaafd en er geen belang was bij een inhoudelijke beoordeling. Appellante voerde aan dat het onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid door zwangerschap en andere oorzaken ongerechtvaardigd was en in strijd met diverse nationale en internationale gelijkheidsbepalingen.
De Raad verwierp deze grieven omdat de wet geen onderscheid maakt op grond van geslacht en appellante haar stellingen niet met statistische gegevens onderbouwde. Ook het beroep op ILO-Conventie 103 slaagde niet omdat die bepaling ziet op aansprakelijkheid van werkgevers voor premiebetaling, niet op de toekenning van WAO-uitkeringen.
De Raad bevestigde dat het besluit van 4 februari 2004 in stand blijft en dat de arbeidsongeschiktheid door zwangerschap niet buiten beschouwing wordt gelaten bij de WAO-wachttijd. Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 4 februari 2004 is ongegrond verklaard.