ECLI:NL:CRVB:2005:AT3042
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Verzoeker, die sinds een herseninfarct arbeidsongeschikt is, kreeg een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Verzoeker betwistte deze beoordeling en stelde dat hij voor een groter deel arbeidsongeschikt is, onderbouwd met medische verklaringen van diverse artsen. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die een hogere uitkering zou garanderen.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van onverwijlde spoed, ondanks zijn financiële situatie en een inkomensdaling van circa 15%. De ingediende loonstroken boden onvoldoende inzicht in de financiële verplichtingen en de precieze noodzaak van een voorlopige voorziening. Daarnaast was er geen zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet kon afwachten.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter zag ook geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het geschil betreft de juiste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de WAO-uitkering, waarbij de rechtbank eerder het beroep van verzoeker ongegrond had verklaard.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.