ECLI:NL:CRVB:2005:AT3032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de terugvordering van bijstandskosten die het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage heeft opgelegd. Het College had vastgesteld dat appellant en zijn partner in de periode van 1 april 2000 tot en met 28 februari 2001 een gezamenlijke huishouding voerden, zonder dit te melden, waardoor ten onrechte bijstand werd verleend aan de partner.
De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellant en zijn partner feitelijk hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, ondanks dat zij formeel elk een eigen woonruimte aanhielden. De schending van de inlichtingenplicht door de partner maakt terugvordering van de bijstandskosten ook jegens appellant rechtmatig.
Appellant voerde aan dat hij pas eind december 2000 ging samenwonen en dat hij voor die tijd alleen de woning bezocht om zijn kinderen te zien, maar dit verweer wordt onvoldoende geacht om het oordeel van gezamenlijke huishouding te weerleggen. De Raad ziet geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en bevestigt het besluit van het College. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.