ECLI:NL:CRVB:2005:AT3028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en woonplaatswijziging
Appellant ontving bijstand volgens de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande. Na onderzoek bleek dat appellant en zijn partner een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellant niet woonde op het opgegeven adres. Hierdoor werd het recht op bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De Raad oordeelt dat appellant en zijn partner in de periode van 22 mei 1998 tot en met 31 maart 2000 hun hoofdverblijf hadden in de woning van de partner, waardoor appellant geen zelfstandig recht op bijstand had. Vanaf 1 april 2000 had appellant geen woonplaats meer in de gemeente waar de bijstand werd verleend, wat het recht op bijstand beëindigde.
De Raad stelt vast dat de terugvordering van kosten van bijstand over de periode 22 mei 1998 tot en met 30 december 1998 ten onrechte mede op appellant is toegepast, omdat artikel 84, tweede lid, Abw destijds dit niet toestond. Daarom vernietigt de Raad het besluit voor dat deel en beveelt een nieuw besluit op bezwaar. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor een deel en een nieuw besluit wordt bevolen.