ECLI:NL:CRVB:2005:AT2832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na niet hervatten werkzaamheden
Appellant werd na een periode van arbeidsongeschiktheid per 9 juli 2001 een WW-uitkering toegekend. Op 1 september 2001 trad hij in dienst bij een werkgever als portier/concierge. Na uitval op 4 of 5 oktober 2001 verklaarde een bedrijfsarts hem per 15 november 2001 hersteld. Appellant voelde zich echter niet in staat om zijn werk te hervatten en maakte dit op 16 november 2001 kenbaar aan de werkgever.
De werkgever stelde hem in een brief van 16 november 2001 in kennis dat bij niet-hervatting van het werk de salarisbetaling zou worden opgeschort en dat appellant een second opinion moest aanvragen als hij het niet eens was met de hersteldverklaring. Appellant vroeg in januari 2002 een second opinion aan, die op 18 februari 2002 bevestigde dat hij geschikt was voor het werk. Desondanks hervatte appellant zijn werkzaamheden niet.
De werkgever verzocht daarop de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke per 1 april 2002 werd uitgesproken. De Raad oordeelt dat appellant redelijkerwijs had kunnen voorzien dat zijn gedrag tot beëindiging van de dienstbetrekking zou leiden en dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. De weigering van de WW-uitkering wordt daarom bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant zijn werkzaamheden na herstel niet heeft hervat en daardoor verwijtbaar werkloos is geworden.