ECLI:NL:CRVB:2005:AT2739
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor werk ondanks gedeeltelijk arbeidsurenverlies
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel uit wegens schouderklachten en vroeg een WW-uitkering aan. Gedaagde, het UWV, wees de aanvraag af omdat appellant niet beschikbaar was voor werk. Na bezwaar en beroep werd het arbeidsurenverlies vastgesteld op 16 uur per week, maar het standpunt gehandhaafd dat appellant niet beschikbaar was voor werk en dus geen recht had op WW.
Appellant voerde aan dat hij wel beschikbaar was, maar de Raad oordeelde dat hij geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een terugkomen op het eerdere besluit rechtvaardigden. De brief van 2 november 2001 werd gezien als een verzoek om terug te komen van het eerdere besluit, maar zonder nieuwe feiten kon dit worden afgewezen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Utrecht. Tevens werd opgemerkt dat appellant na de minnelijke schikking een nieuwe aanvraag voor een WW-uitkering voor 20 uur per week had beoogd, die door het UWV nog in behandeling moest worden genomen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor werk wordt bevestigd.