ECLI:NL:CRVB:2005:AT0916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over WW-uitkering op grond van onjuiste urenberekening
Appellante was sinds 1994 werkzaam bij haar werkgever, aanvankelijk als sportdocente en later als manager groepsactiviteiten voor 21 uur per week. Na een ontslag op staande voet, dat later nietig werd verklaard, kreeg zij een WW-uitkering toegekend op basis van 21 gewerkte uren per week. Appellante stelde dat zij sinds oktober 1998 ook 6,75 uur per week barwerkzaamheden verrichtte, hetgeen niet was meegenomen in de berekening van de uitkering.
De Raad oordeelde dat het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en niet deugdelijke gemotiveerd was. De Raad stelde vast dat de werkgever in een brief bevestigde dat appellante 6,75 uur barwerkzaamheden verrichtte en dat dit niet als een aanpassing van het takenpakket, maar als een urenuitbreiding moest worden beschouwd.
De Raad vond dat het Uwv onvoldoende had aangetoond dat appellante daadwerkelijk niet 27,75 uur per week werkte en dat het Uwv de werkgever had moeten confronteren met het standpunt van appellante. Het geschil rond het ontslag ging niet over de omvang van de werkzaamheden, zodat het Uwv hieraan geen conclusies mocht verbinden. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en verordonneerde een nieuwe beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuwe beslissing nemen waarbij de urenuitbreiding wordt betrokken.