ECLI:NL:CRVB:2005:AT0353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking WAO-uitkering wegens vermeende loonvormende arbeid en toepassing artikel 44 WAO
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard en WAO-uitkering genietend, werd verdacht van het verrichten van loonvormende arbeid via een schoonmaakbedrijf dat hij feitelijk leidde. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) schortte daarop de WAO-uitkering op en trok deze per 1 januari 1999 in, met toepassing van artikel 44 WAO Pro. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij geen loonvormende arbeid had verricht en dat de intrekking van de uitkering onterecht was, mede omdat niet aan de driejaarstermijn van artikel 44 was Pro voldaan. De Raad stelde vast dat de schorsing terecht was vanwege het gegronde vermoeden van loonvormende arbeid, gebaseerd op getuigenverklaringen en een rapport van een opsporingsfunctionaris.
De Raad oordeelde echter dat de intrekking per 1 januari 1999 niet kon worden gehandhaafd omdat niet over een aaneengesloten termijn van drie jaren toepassing was gegeven aan artikel 44, eerste lid, WAO. De intrekking werd daarom vernietigd en het Uwv werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. De overige besluiten, waaronder de herziening van de suppletie, werden bevestigd. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wordt bevestigd, de intrekking per 1 januari 1999 wordt vernietigd wegens niet voldaan driejaarstermijn artikel 44 WAO.