ECLI:NL:CRVB:2005:AS9908

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/608 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • F.A.M. Stroink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BZAArt. 44 BZAArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering suppletie onderwijspersoneel; mandaat en bevoegdheid

De zaak betreft een geschil over de herziening van toegekende suppletie aan een onderwijspersoneel en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. De rechtbank Arnhem had het beroep van gedaagde gegrond verklaard en de besluiten van appellant vernietigd wegens onbevoegdheid.

Appellant stelde in hoger beroep dat het mandaatbesluit van 16 augustus 2002 het besluit op bezwaar van 1 maart 2001 bevoegdelijk had doen nemen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het mandaatbesluit inderdaad het bezwaarbesluit bevoegdelijk maakte, waardoor het bevoegdheidsgebrek van de primaire besluiten mogelijk was geheeld.

Omdat de rechtbank niet aan de inhoudelijke behandeling van het beroep was toegekomen, vernietigde de Raad het vonnis en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling. De Raad wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

03/608 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 december 2002, nr. 01/1859 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft desgevraagd nog stukken toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door P.C.M. Satijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
1. Bij besluit van 23 september 1999 zijn - onder verwijzing naar een eerder besluit waarbij de met toepassing van het (inmiddels zogenoemde) Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BZA) aan gedaagde toegekende suppletie is herzien - bedragen van f 12.844,32 bruto en f 4.086,90 netto, welke haar over de periode van 7 januari 1998 tot 1 juli 1999 te veel aan suppletie zouden zijn betaald, van gedaagde teruggevorderd.
Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft appellant aan gedaagde kenbaar gemaakt op welke wijze de op haar bestaande vordering zal worden ingevorderd.
Bij besluit van 1 maart 2001 zijn de bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van 23 september 1999 en 26 oktober 1999 door USZO B.V. namens appellant ten dele gegrond en ten dele ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen het besluit van 1 maart 2001 gegrond verklaard en dit besluit alsook de primaire besluiten van 23 september 1999 en 26 oktober 1999 vernietigd, onder bepaling dat die uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 maart 2001. Hiertoe heeft de rechtbank, afgaande op een desgevraagd overgelegde mandaatregeling, overwogen dat appellant geen mandaat heeft verleend voor het nemen van besluiten over het recht op suppletie als bedoeld in artikel 21 van Pro het BZA of het terugvorderen en invorderen van onverschuldigd betaalde suppletie op grond van artikel 44 van Pro het BZA. De rechtbank heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ook de primaire besluiten onbevoegdelijk zijn genomen en dat herstel van deze gebreken in de bezwaarprocedure niet mogelijk is.
3.1. In hoger beroep is door appellant gewezen op het op 1 januari 2001 in werking getreden mandaatbesluit van 16 augustus 2002, Stcrt. 164, waaruit de Raad afleidt dat het besluit van 1 maart 2001 bevoegdelijk namens appellant is genomen. Gelet hierop kan in het midden blijven of de primaire besluiten van 23 september 1999 en
26 oktober 1999 wel bevoegdelijk zijn genomen aangezien de vaste jurisprudentie van de Raad inhoudt dat indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld.
3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
3.3. Nu de rechtbank niet aan een inhoudelijke behandeling van het door gedaagde bij haar ingestelde beroep is toegekomen, is de Raad, gelet ook op de standpunten terzake van partijen, van oordeel dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. De Raad zal de zaak dan ook terugwijzen naar de rechtbank.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) L.N. Nijhuis.
HD
14.02