ECLI:NL:CRVB:2005:AS8729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor functies bij beperkingen
Appellant, voormalig nachtportier, ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na ziekte door een rectumcarcinoom. Na een initiële toekenning van 80-100% arbeidsongeschiktheid werd zijn uitkering in 2001 verlaagd naar 35-45%, later bij bezwaar verhoogd naar 65-80%. Appellant voerde aan dat hij geen vier uur per dag kon werken en geen van de geselecteerde functies kon verrichten.
De Raad oordeelde dat appellant dit standpunt onvoldoende met medische stukken onderbouwde. Uit het dossier bleek een zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij ook zijn psychische gesteldheid en medicijngebruik waren betrokken. De huisarts ondersteunde appellant, maar gaf geen onderbouwing. De Raad concludeerde dat appellant met zijn beperkingen de geselecteerde functies kan verrichten en dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.
Arbeidskundig onderzoek toonde aan dat vijf functies passend waren, waarvan drie na correcties bleven bestaan. De Raad onderschreef de berekeningen van verlies aan verdiencapaciteit en de reductiefactoren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de WAO-uitkering bevestigd.