ECLI:NL:CRVB:2005:AS8587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling benadelingshandeling bij weigering WW-uitkering wegens niet bedingen vergoeding opzegtermijn
Appellant, werkzaam als uitvoerder, werd per 1 juni 2001 ontslagen vanwege een interne reorganisatie. Hij vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd omdat hij geen vergoeding bedong die de volledige duur van de opzegtermijn dekte, wat werd aangemerkt als een benadelingshandeling. Appellant voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat een collega in een vergelijkbare situatie geen maatregel kreeg opgelegd.
De Raad overwoog dat de werknemer bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst geacht wordt rekening te houden met de gevolgen voor zijn WW-rechten en dat het niet vragen van een vergoeding niet licht als benadelingshandeling kan worden gezien. In dit geval was echter sprake van een evidente wanverhouding tussen de mogelijke vergoeding en hetgeen appellant accepteerde, mede omdat hij bewust afzag van het vragen van vergoeding vanwege kosten.
De Raad concludeerde dat appellant een benadelingshandeling had gepleegd en bevestigde het besluit tot weigering van de WW-uitkering. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat de situatie van de collega niet vergelijkbaar was, onder meer doordat die niet was vrijgesteld van arbeid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens benadelingshandeling door appellant.