ECLI:NL:CRVB:2005:AS8527

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4427 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87e WAOArt. 6 EVRMArt. 8:75 AwbArt. 6:162 BWArt. 105 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie ondanks bezwaar tegen uitkeringen

Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO voor 2001, die mede gebaseerd was op WAO-uitkeringen toegekend aan vijf (ex-)werknemers. Twee uitkeringen waren toegekend na 1 januari 1998, drie vóór die datum. Artikel 87e WAO sluit bezwaar tegen besluiten van vóór 1998 uit, wat door de rechtbank werd bevestigd.

De Centrale Raad oordeelt dat deze uitsluiting in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, waardoor artikel 87e WAO buiten toepassing blijft voor de toetsing van de toekenning van deze uitkeringen in het kader van het geschil over de premie. Voor besluiten na 1 januari 1998 is bezwaar mogelijk en dat recht blijft behouden.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, en ziet geen reden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Hierdoor blijft de vaststelling van de gedifferentieerde premie ongewijzigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

02/4427 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Dordrecht op 12 juli 2002 onder kenmerk 01/720 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 28 november 2000 heeft gedaagde ten laste van appellante de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor 2001 vastgesteld. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 28 mei 2001 ongegrond verklaard.
De hoogte van de gedifferentieerde premie wordt in dit geval mede bepaald door de aan een vijftal (ex-)werknemers van appellante door gedaagde toegekende WAO-uitkeringen. Aan twee van deze vijf werknemers zijn uitkeringen toegekend met ingang van een datum na 1 januari 1998, aan de overige met ingang van een datum vóór 1 januari 1998.
Voorzover de besluiten tot toekenning van deze WAO-uitkeringen dateren van na 1 januari 1998, staat artikel 87e van de WAO eraan in de weg dat in het onderhavige geding daartegen beroepsgronden worden aangevoerd. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante de gelegenheid om op te komen tegen het besluit tot het vaststellen van de gedifferentieerde premie voor 1999 onbenut heeft gelaten. Aangezien de van vóór 1 januari 1998 daterende besluiten tot toekenning van WAO-uitkering die ten grondslag liggen aan de gedifferentieerde premie voor 2001 ook ten grondslag lagen aan de vaststelling van de gedifferentieerde premie voor 1999 en deze besluiten door appellante in het kader van een bezwaarprocedure tegen die vaststelling ter discussie hadden kunnen worden gesteld, staat naar het oordeel van de rechtbank artikel 87e van de WAO eraan in de weg dat appellante in het onderhavige geding beroepsgronden tegen die besluiten aanvoert.
De hiertegen in hoger beroep gerichte grond slaagt niet. Daartoe overweegt de Raad het volgende.
De WAO-uitkeringen die vóór 1 januari 1998 aan de (ex-)werknemers van appellante zijn toegekend behoren, voorzover zij bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie over 2001 zijn betrokken, tot de “merits of the matter” van het onderhavige geschil. In het kader van het door appellante aanhangig gemaakte geschil ter zake van het besluit van 28 mei 2001 moet kunnen worden getoetst of deze uitkeringen terecht zijn toegekend. In zoverre artikel 87e van de WAO daaraan in de weg staat, dient die bepaling, wegens schending met artikel 6 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden buiten toepassing te blijven.
In zoverre na 1 januari 1998 besluiten bekend zijn gemaakt omtrent de voortzetting van deze WAO-uitkeringen vond de (verdere) betaling van de WAO-uitkeringen volledig plaats op basis van deze besluiten, waartegen voor appellante als belanghebbende een rechtsmiddel openstond. Grieven met betrekking tot de toekenning of voortzetting van de WAO-uitkering waarover vóór 1 januari 1998 besluitvorming heeft plaatsgevonden, kunnen worden ingebracht in de tegen het na 1 januari 1998 geslagen voortzettingsbesluit gerichte procedure, waarbij in dat verband de werkgever die stelt dat er vóór 1 januari 1998 geen grond was voor de toekenning of voortzetting van de WAO-uitkering artikel 87e van de WAO niet kan worden tegengeworpen. Op die wijze is met de mogelijkheid om tegen een na 1 januari 1998 geslagen besluit (anders dan voor die datum) een rechtsmiddel aan te wenden voor een geval als het onderhavige verzekerd dat de betrokkene de “merits of the matter”, waarbij de Raad onder meer denkt aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, ter beoordeling aan de rechter kan voorleggen.
De aangevallen uitspraak komt, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M. Renden.
EK1502