ECLI:NL:CRVB:2005:AS8324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken medische onderbouwing
Appellant, werkzaam in een shoarmazaak, viel op 1 augustus 1996 uit wegens klachten gerelateerd aan een Hepatitis B infectie en ontving sindsdien een WAO-uitkering. Op 27 maart 2002 meldde hij zich ziek met klachten als duizeligheid, moeheid, hoofdpijn en psychische problemen. De uitkeringsinstantie weigerde hem ziekengeld toe te kennen, een besluit dat bij bezwaar werd gehandhaafd en door de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn klachten waren toegenomen en dat hij nu ook trombose had, waarbij hij een radiologisch rapport overlegde. Hij voerde aan dat de rechtbank ten onrechte geen deskundigenonderzoek had gelast. De Raad overwoog dat een verzekeringsarts appellant had onderzocht en geen toename van beperkingen had vastgesteld ten opzichte van eerdere beoordelingen. Appellant was niet verschenen bij een hoorzitting en leverde geen objectieve medische gegevens over zijn trombose.
De Raad concludeerde dat het radiologische rapport niet relevant was omdat het onderzoek een jaar na de datum in geding was uitgevoerd. Ook was er geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts te verwerpen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens ontbreken van medische onderbouwing voor een verslechterde gezondheidstoestand.