ECLI:NL:CRVB:2005:AS8324

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3951 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken medische onderbouwing

Appellant, werkzaam in een shoarmazaak, viel op 1 augustus 1996 uit wegens klachten gerelateerd aan een Hepatitis B infectie en ontving sindsdien een WAO-uitkering. Op 27 maart 2002 meldde hij zich ziek met klachten als duizeligheid, moeheid, hoofdpijn en psychische problemen. De uitkeringsinstantie weigerde hem ziekengeld toe te kennen, een besluit dat bij bezwaar werd gehandhaafd en door de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn klachten waren toegenomen en dat hij nu ook trombose had, waarbij hij een radiologisch rapport overlegde. Hij voerde aan dat de rechtbank ten onrechte geen deskundigenonderzoek had gelast. De Raad overwoog dat een verzekeringsarts appellant had onderzocht en geen toename van beperkingen had vastgesteld ten opzichte van eerdere beoordelingen. Appellant was niet verschenen bij een hoorzitting en leverde geen objectieve medische gegevens over zijn trombose.

De Raad concludeerde dat het radiologische rapport niet relevant was omdat het onderzoek een jaar na de datum in geding was uitgevoerd. Ook was er geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts te verwerpen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens ontbreken van medische onderbouwing voor een verslechterde gezondheidstoestand.

Uitspraak

03/3951 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. C. Arslaner, op bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 20 juni 2003, onder reg. nr.: ZW 02/2773, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 5 januari 2005, waar appellant en gedaagde, beiden met voorafgaand bericht van verhindering, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam in een shoarmazaak toen hij op 1 augustus 1996 uitviel met klachten samenhangend met een Hepatitis B infectie. Per 31 juli 1997 is appellant uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant ontving daarnaast een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.
Op 27 maart 2002 heeft appellant zich vanuit die situatie ziek gemeld met klachten van duizeligheid, moeheid, hoofdpijn en psychische klachten. Bij besluit van 7 juni 2002 heeft gedaagde geweigerd appellant ziekengeld toe te kennen. Bij besluit op bezwaar van 6 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet een deskundige heeft benoemd voor een medisch onderzoek. Appellants klachten zijn toegenomen. Hij heeft nu ook trombose. Gedaagde heeft nauwelijks rekening gehouden met de klachten van kortademigheid, vermoeidheid en zweet. Appellant is erg depressief en ongeconcentreerd en wordt snel agressief. Appellant stelt dat nagenoeg alle functies niet in overeenstemming zijn met zijn belastbaarheid en wijst in dat verband op een door hem aan de rechtbank toegezonden rapportage van 26 maart 2003 van de afdeling radiologie van het Dijkzichtziekenhuis.
De Raad overweegt als volgt.
Naar blijkt uit de medische kaart is appellant op 7 juni 2002 gezien door een verzekeringsarts die hem heeft onderzocht en die concludeerde dat gezien de anamnestische gegevens en de bevindingen bij het onderzoek de beperkingen van appellant niet waren toegenomen ten opzichte van het FIS-formulier van 12 december 2000. Hij achtte hem vanaf de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet arbeidsongeschikt. Naar aanleiding van zijn bezwaar is appellant uitgenodigd voor de hoorzitting annex medisch onderzoek, waar hij zonder bericht van verhindering niet is verschenen. Ook nadien heeft hij niet meer gereageerd.
Bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer heeft vervolgens op basis van de voorhanden zijnde gegevens een rapportage, gedateerd 3 september 2002, opgesteld, waarin hij concludeert dat er geen aanleiding is het standpunt van de primaire verzekeringsarts niet te volgen. Daarbij heeft hij overwogen dat de verzekeringsarts zorgvuldig te werk is gegaan, dat niet is gebleken dat deze een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voor arbeid voortvloeiende beperkingen en dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn gezondheidstoestand op 27 maart 2002 anders was dan door de verzekeringsarts is aangegeven. Lustenhouwer heeft daarbij mede van belang geacht dat appellant bij de verzekeringsarts heeft aangegeven dat hij zich ziek heeft gemeld omdat er verschillende bloedonderzoeken zouden worden gedaan. In een rapportage van 18 juni 2003 heeft Lustenhouwer nog gereageerd op de op die dag aan gedaagde toegezonden vorenvermelde radiologische rapportage en in dat rapport geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.
De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding de conclusies van Lustenhouwer niet te volgen. Het door appellant toegezonden rapport van een radiologisch onderzoek ziet op een onderzoek dat een jaar na de datum in geding is uitgevoerd. Reeds om die reden kan dit rapport in dit geding geen rol spelen.
Dat appellant mogelijk inmiddels ook trombose heeft, kan aan het vorenstaande evenmin afdoen, nu appellant met betrekking tot die trombose geen objectief medische gegevens heeft overgelegd. Gezien het vorenstaande was er voor de rechtbank ook geen aanleiding om een deskundigenonderzoek in te stellen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant op 27 maart 2002 niet toegenomen beperkt was en is terecht ziekengeld geweigerd. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) A. van Netten.
Gw