ECLI:NL:CRVB:2005:AS8229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor baby-uitzet wegens voorliggende voorziening
Appellante, een Wajong-uitkeringsgerechtigde, verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van een baby-uitzet. De gemeente wees dit verzoek af, stellende dat er sprake was van een toereikende en passende voorliggende voorziening, namelijk een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet in staat was om voor de kosten te reserveren en dat de verwijzing naar de GKB onvoldoende was. De Raad oordeelde dat kredietverlening door de GKB als een voorliggende voorziening geldt volgens artikel 17 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw). Er was voldoende aannemelijk dat appellante een lening had kunnen aanvragen die toereikend was voor de kosten van de baby-uitzet en dat deze voorziening passend was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Er waren geen zeer dringende redenen aanwezig die een uitzondering op de regeling konden rechtvaardigen. Daarmee werd het hoger beroep afgewezen en bleef de afwijzing van bijzondere bijstand in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor de baby-uitzet wordt bevestigd.