ECLI:NL:CRVB:2005:AS8014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1982 een bijstandsuitkering van de gemeente Zijpe. Medio 1997 werd door een derde gemeld dat appellante in de voorafgaande twaalf jaar een gezamenlijke huishouding voerde, hetgeen zij niet had gemeld aan de gemeente. Dit leidde tot een onderzoek waaruit bleek dat appellante van 29 mei 1986 tot 1 mei 1997 samenwoonde met deze persoon zonder dit te melden op haar inkomstenformulieren.
Op grond hiervan besloot de gemeente de bijstand over de periode van 1 januari 1994 tot 1 mei 1997 terug te vorderen. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen de intrekking van de bijstand over de gehele periode niet was aangevochten, waardoor dit besluit in rechte vaststond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor terugvordering over perioden vóór 1 juli 1997 geen voorafgaand intrekkingsbesluit vereist was. Omdat appellante geen beroep had ingesteld tegen het intrekkingsbesluit van 15 augustus 2001, stond vast dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden en dat de bijstand ten onrechte was verleend.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de terugvordering van de bijstand werd gehandhaafd. Er werden geen proceskosten aan appellante opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.