ECLI:NL:CRVB:2005:AS7549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- C.P.M. van de Kerkhof
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zelfstandigheid en beëindiging WW-uitkering bij aandelenverdeling
Appellant ontving een WW-uitkering die op 30 maart 2000 werd vastgesteld. Na mededeling dat appellant vanaf 1 januari 2001 in dienst trad bij een besloten vennootschap waarvan hij en zijn echtgenote elk 50% van de aandelen bezaten, onderzocht het UWV zijn recht op uitkering opnieuw.
De Raad concludeerde dat door de gelijke aandelenverdeling en de feitelijke invloed die appellant via de algemene vergadering van aandeelhouders kon uitoefenen, geen gezagsverhouding bestond tussen appellant en de vennootschap. Hierdoor kon appellant niet als werknemer worden aangemerkt, maar als zelfstandige.
Op grond hiervan werd de WW-uitkering per 25 januari 2001 herzien en teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant zijn werknemerschap had verloren en dat het recht op WW-uitkering terecht was beëindigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de WW-uitkering wordt terecht beëindigd per 25 januari 2001.