ECLI:NL:CRVB:2005:AS6754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid
Appellante stelde beroep in tegen de weigering van een WW-uitkering per 24 augustus 2001, omdat zij volgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het geschil aan de hand van de Werkloosheidswet zoals die destijds gold.
De Raad oordeelde dat het begrip 'beschikbaar om arbeid te aanvaarden' een feitelijke toestand betreft die moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder ook de houding en het gedrag van de betrokkene. Uit het dossier bleek dat appellante tegenover een arbeidsdeskundige verklaarde niet in staat te zijn tot arbeid en geen actieve bemiddelingshulp wenste. Tevens had zij geen sollicitaties verricht en zich pas laat ingeschreven als werkzoekende.
Appellante kon geen concrete feiten aandragen waaruit beschikbaarheid voor arbeid bleek. Haar stelling dat zij onevenredig werd getroffen doordat zij het aanvraagformulier en werkbriefjes pas achteraf ontving, werd verworpen omdat het begrip beschikbaarheid een feitelijke toestand betreft die niet door het invullen van formulieren kan worden veranderd.
De Raad concludeerde dat appellante door haar houding en gedrag duidelijk maakte niet beschikbaar te zijn voor arbeid en bevestigde daarmee het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellante niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.