ECLI:NL:CRVB:2005:AS6564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake overname betalingsverplichtingen werkgever na faillissement
Appellanten, werknemers van een failliete werkgever, vorderden bij het UWV de overname van betalingsverplichtingen van achterstallig loon en vakantierechtwaarden. Het UWV kende voorschotten toe, maar beperkte de overname wegens een geconstateerde benadelingshandeling van appellanten door onvoldoende voortvarendheid in het optreden tegen de werkgever.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en verwierp hun uitleg van de Insolventierichtlijn. Het UWV herzag later enkele besluiten, waarbij de periode van overname werd verlengd met tien weken, maar handhaafde de korting wegens benadeling. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de besluiten van 11 november 2003 de eerdere besluiten vervingen en appellanten geen belang meer hebben bij beoordeling van de eerdere besluiten. De Raad bevestigde dat appellanten onvoldoende voortvarend waren en dat het UWV terecht de benadelingsmaatregel toepaste.
De Raad wees het beroep tegen de besluiten van 11 november 2003 af, veroordeelde het UWV in proceskosten en bepaalde dat het UWV reeds gestorte bedragen aan appellanten dient te vergoeden. De uitspraak bevestigt de toepassing van de Werkloosheidswet en de jurisprudentie omtrent de Insolventierichtlijn en benadelingshandelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt niet-ontvankelijk verklaard en de besluiten van het UWV worden bevestigd.