ECLI:NL:CRVB:2005:AS6284

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6297 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdelijk aansprakelijkheid voor premies en boetes vennootschap

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage waarin hij hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de door zijn vennootschap verschuldigde premies en boetes over de jaren 1996 en 1997. De Raad verwijst naar de feiten zoals vermeld in de eerdere uitspraak en constateert dat appellant in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft ingebracht, maar slechts zijn eerdere bezwaren herhaalt.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de rechtbank de juiste rechtsregels heeft toegepast en dat er geen gronden zijn om het bestreden besluit te vernietigen. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor wordt de eerdere uitspraak bevestigd.

De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 10 februari 2005 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep waarbij appellant niet aanwezig was. De Raad handhaaft daarmee de hoofdelijk aansprakelijkheid van appellant voor de premies en boetes van de vennootschap.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijk aansprakelijkheid van appellant voor de premies en boetes van de vennootschap.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6297 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is door mr. drs. R. van Gelder, advocaat te Voorschoten, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 21 november 2003, onder kenmerk 02/2789, door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 februari 2005, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde terecht en op goede gronden appellant met toepassing van artikel 16d, eerste, tweede en vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de door [naam B.V.] verschuldigde premies en boetes over de jaren 1996 en 1997.
De Raad stelt vast dat de in hoger beroep van de kant van appellant aangevoerde bezwaren in essentie een herhaling zijn van hetgeen in het geding in eerste aanleg is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn van de kant van appellant niet naar voren gebracht.
De Raad is van oordeel dat de bezwaren van appellant niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en overweegt in dit verband dat hij de overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, tot de zijne maakt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
10 februari 2005.
(get.) R.C. Stam.
(get.) R.E. Lysen.