ECLI:NL:CRVB:2005:AS5922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging verplichtingen op grond van artikel 113 Abw ondanks verzorgingsbehoefte echtgenoot
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de door het College van burgemeester en wethouders van Heerlen opgelegde verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Deze verplichtingen zijn opgelegd omdat appellante voor haar zelfstandige bestaansvoorziening is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking.
De Raad heeft het besluit van 22 januari 2002, waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, en de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 februari 2003 bevestigd. De Raad baseert zich op adviezen van de GGD van 3 februari 2001, waarin is vastgesteld dat appellante arbeidsgeschikt is met beperkingen, rekening houdend met de verzorgingsbehoefte van haar echtgenoot.
Uit de medische adviezen blijkt dat de beperkingen van de echtgenoot niet zodanig ernstig zijn dat appellante ten tijde van belang was aangewezen op geregelde oppassing en verzorging. Een aanvullende verklaring van de huisarts van appellante biedt onvoldoende aanleiding om dit oordeel te wijzigen. De Raad ziet daarom geen grond voor het benoemen van een deskundige en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, Abw zijn terecht aan appellante opgelegd.