ECLI:NL:CRVB:2005:AS5207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering Ziektewetuitkering wegens ongeschiktheid voor werk
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en viel in maart 1997 uit met klachten aan nek, schouder, hand en arm. Na het bereiken van de maximale ziekengeldtermijn weigerde het UWV haar een WAO-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Vervolgens werkte zij via uitzendbureaus bij diverse werkgevers, waarbij zij zich in mei 2001 ziek meldde. Het UWV weigerde haar ziekengeld toe te kennen omdat zij al de maximale periode had ontvangen en haar arbeidsongeschiktheid voortduurde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat haar functie niet te belastend was en dat zij ziek was vanwege galsteenproblematiek, niet vanwege eerdere klachten. Het UWV stelde dat haar functie als postsorteerder niet binnen haar belastbaarheid viel en dat zij ongeschikt was voor het werk. De Raad oordeelde dat de functie niet geschikt was en dat het UWV bevoegd was ziekengeld te weigeren, maar dat appellante niet had kunnen verwachten dat zij zou uitvallen bij aanvang van haar verzekering op 1 januari 2001.
De Raad verklaarde het beroep tegen het besluit van 15 april 2004 gegrond, vernietigde dit besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen. Het hoger beroep tegen het eerdere besluit werd niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het betaalde recht van €116,- aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit van 15 april 2004 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd; het beroep tegen het eerdere besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard.