ECLI:NL:CRVB:2005:AS5113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor niet-betaalde premies sociale werknemersverzekeringen bij onderaanneming
Appellant had verlichtingswerkzaamheden laten verrichten door een vennootschap onder firma die in 1995 failliet werd verklaard, evenals haar vennoten. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde appellant op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk voor de niet-betaalde premies over de jaren 1992 tot en met 1994.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de werkzaamheden als onderaanneming moesten worden aangemerkt. De rechtbank vond geen reden om aan te nemen dat de werkzaamheden uitsluitend door de vennoten waren verricht en achtte de schatting van de premies op basis van facturen en werkuren aanvaardbaar, mede vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat het voortzetten van werkzaamheden door een ander bedrijf na faillissement geen verhaal van de premies mogelijk maakte en dat het niet naleven van administratieve verplichtingen door appellant meewoog. De hoofdelijke aansprakelijkheid werd gehandhaafd, en toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd niet passend geacht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant voor de niet-betaalde premies sociale werknemersverzekeringen.