ECLI:NL:CRVB:2005:AS4904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten en geen dringende redenen voor terugvordering
Appellanten ontvingen vanaf juni 1996 een bijstandsuitkering. Uit gegevens van de belastingdienst bleek dat appellant in de periode april tot juni 1998 werkzaamheden als timmerman verrichtte zonder dit en de inkomsten aan het college te melden. Het college herzag daarom het recht op bijstand over die periode en vorderde de gemaakte kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij de vraag of er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien centraal stond. Appellanten stelden in hoger beroep dat zij financiële problemen hadden door een achterstand op een hypotheek en een deurwaardersexploot.
De Raad oordeelt dat deze omstandigheden geen dringende reden vormen zoals bedoeld in artikel 78, derde lid, Abw. Er is geen verband tussen de terugvordering en de financiële situatie, en de beslagvrije voet biedt voldoende bescherming. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en intrekking van bijstandsuitkering bevestigd.