Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4825

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2716 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • R.C. Stam
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht directeur-aandeelhouders ondanks stemovereenkomst

Appellante, een beheermaatschappij van horecabedrijven, voerde hoger beroep tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin twee directeur-aandeelhouders sinds 29 november 1995 als verzekeringsplichtig werden aangemerkt.

De rechtbank had reeds geoordeeld dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat de aandeelhouders niet in staat waren om onwelgevallige besluiten tegen te houden vanwege de statutaire eis van een volstrekte meerderheid van stemmen. Appellante betoogde onder meer dat een stemovereenkomst tussen de aandeelhouders en het feit dat leiding en risico bij deze directeuren lagen, gezagsuitoefening door de algemene vergadering van aandeelhouders uitsloot.

De Centrale Raad van Beroep verwierp deze argumenten. De stemovereenkomst verhinderde niet dat aandeelhouders rechtsgeldig konden stemmen en dat de algemene vergadering besluiten kon nemen die gezagsuitoefening mogelijk maakten. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. De Raad bevestigde het besluit tot verzekeringsplicht en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht van de directeur-aandeelhouders sinds 29 november 1995.

Uitspraak

03/2716 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft J.J.F.M. [aandeelhouder 2], directeur van appellante, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 22 april 2003 onder kenmerk 02/1240 door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 9 december 2004, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door de heer [aandeelhouder 2], bijgestaan door P.H. van Zeil en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalder en mr. T.K. Dik, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellante houdt zich bezig met het beheer van drie werkmaatschappijen, die ten doel hebben het exploiteren van één of meer horecabedrijven en het organiseren van evenementen.
Tot 29 november 1995 bezaten J.M. [aandeelhouder 1] en J.J.F.M. [aandeelhouder 2] door middel van hun persoonlijke vennootschappen ieder 50% van de aandelen van appellante. Vanaf deze datum kregen de werknemers N.P. [aandeelhouder 3] en A. [aandeelhouder 4] ieder 5% van de aandelen en bezaten [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] elk 45% van de aandelen. [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] waren ten tijde voor dit geding van belang, directeur van appellante.
Bij zijn beslissingen van 8 juni 2000 heeft gedaagde vanaf 29 november 1995 ten aanzien van [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] verzekeringsplicht voor de sociale werknemers-verzekeringen aangenomen. Bij besluit van 22 februari 2002 heeft gedaagde deze beslissing gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] voor appellante werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank ten aanzien van de aanwezigheid van een gezagsverhouding tussen de vennootschap enerzijds en [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] anderzijds erop gewezen dat ingevolge de statuten van appellante voor het nemen van besluiten een volstrekte meerderheid van stemmen is vereist, zodat [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2], gelet op hun aandelenbezit, hen onwelgevallige besluiten niet tegen kunnen houden. Feitelijk heeft de rechtbank niet onaannemelijk geacht dat [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] in een conflictsituatie met enige vorm van gezagsuitoefening door de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) kunnen worden geconfronteerd. Voorts was de rechtbank van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat van de kant van gedaagde geen ondubbelzinnige schriftelijke uitlatingen zijn gedaan die inhouden dat in dit geval van premienaheffing zou worden afgezien. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep op overschrijding van de redelijke termijn niet gehonoreerd.
In hoger beroep is, evenals bij de gedingvoering in eerste aanleg, gewezen op de tussen [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] gesloten stemovereenkomst en op de omstandigheid dat leiding, verantwoordelijkheid en risico bij [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] lagen. Voorts heeft appellante opnieuw gewezen op het vertrouwensbeginsel en de lange behandelingsduur van de zaak.
Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht per 29 november 1995 verzekeringsplicht heeft aangenomen ter zake van de door betrokkenen als directeuren voor appellante verrichte werkzaamheden. Aan de tussen [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] gesloten stemovereenkomst inclusief een regeling inzake geschillenbeslechting door middel van bindend advies kan niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien. Deze staat er immers niet aan in de weg dat een aandeelhouder zijn stem rechtsgeldig kan uitbrengen in afwijking van een dergelijke overeenkomst, zodat de ava betrokkenen tegen hun wil rechtsgeldig kan ontslaan. Het door appellante ingenomen standpunt dat [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] feitelijk de verantwoordelijkheid en leiding over de onderneming hadden stond gezagsuitoefening door de ava niet in de weg en onderstreept overigens dat er geen sprake was van het drijven van een onderneming door alle aandeelhouders gezamenlijk.
Het van de kant van appellante gedane beroep op de uitspraak van 21 mei 1999 van de rechtbank Zwolle kan naar het oordeel van de Raad reeds daarom niet slagen omdat in dit geval geen sprake is van een onderneming waarin de gezagsverhouding mede wordt bepaald door familiebetrekkingen.
Onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank is overwogen is de Raad van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.
Uitgaande van 17 juli 2000 - de datum van het bezwaarschrift van appellante - kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep.
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.