ECLI:NL:CRVB:2005:AS4811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de dagloonvaststelling met betrekking tot de WAO-gat premie
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch over de dagloonvaststelling van een WAO-uitkering. Gedaagde, een productie-medewerker, werd wegens rugklachten arbeidsongeschikt verklaard en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een dagloon van f 182,63 bruto inclusief vakantietoeslag.
De rechtbank oordeelde dat de WAO-gat premie, bedoeld ter ondervanging van het WAO-hiaat, ten onrechte in mindering was gebracht op het brutoloon, omdat deze premie een inhouding betreft voor een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomt met een WAO-aanspraak. Hierdoor was het dagloon te laag vastgesteld.
Het Uwv stelde in hoger beroep dat de WAO-gat premie een pensioenregeling betreft en geen aanspraak ingevolge de sociale verzekeringswetten, en dat daarom de inhouding terecht was. De Raad overwoog echter dat de premie een bijdrage is voor aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met sociale verzekeringsaanspraken en dat noch de aard van de verzekering noch de wetgeving een andere benadering rechtvaardigt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het Uwv in de proceskosten van gedaagde. Tevens werd een recht van € 409,-- geheven van het Uwv.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-gat premie ten onrechte in mindering is gebracht op het brutoloon bij dagloonvaststelling.