ECLI:NL:CRVB:2005:AS3619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van second opinion en besluitbegrip in reïntegratiegeschil UWV
Appellant, voormalig werknemer van het Ministerie van Justitie, werd per 1 juli 2002 ontslagen en meldde zich ziek met psychische klachten. Na een hersteldverklaring door de bedrijfsarts vroeg appellant een second opinion aan bij het UWV, die werd afgewezen met de reden dat de werkgever geen reïntegratieverplichtingen meer had. Appellant stelde dat deze afwijzing onterecht was en dat de brief een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was.
De Raad overwoog dat een second opinion een attest is dat gebruikt kan worden in loondoorbetalingsvorderingen, maar dat de mededeling van de uitkomst van een second opinion geen zelfstandig rechtsgevolg heeft en dus geen besluit is volgens artikel 1:3 Awb Pro. De brief van 27 november 2002, waarin het verzoek tot second opinion werd afgewezen, bevatte geen besluit en het bezwaar daartegen was terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Utrecht en oordeelde dat ook de ondertekening van de brief door een administratief medewerker geen reden was om het bezwaar alsnog ontvankelijk te verklaren. Hiermee werd het beroep van appellant ongegrond verklaard en de bestreden uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de brief waarin het verzoek tot second opinion wordt afgewezen geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.