Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1636 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening nabestaandenpensioen wegens te hoog uitbetaalde uitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem inzake de herziening van haar nabestaandenpensioen door de Sociale verzekeringsbank. De herziening betrof een besluit waarbij het pensioen met terugwerkende kracht vanaf maart 1998 werd aangepast vanwege een hoger inkomen dan waarop de uitkering was gebaseerd.

De Raad overwoog dat appellante kon begrijpen dat haar uitkering te hoog was uitbetaald omdat haar inkomen was gestegen. Dit werd door appellante zelf erkend tijdens de zitting. Het feit dat de uitkering niet eerder werd herzien ondanks haar opgave van inkomsten, gaf haar geen recht op vertrouwen dat de uitkering correct was.

De Raad benadrukte dat appellante niet werd verweten onjuiste of onvolledige gegevens te hebben verstrekt. De herziening was gerechtvaardigd omdat het voor appellante duidelijk was dat de uitkering te hoog was. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een beroep op artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het nabestaandenpensioen wegens een te hoog uitbetaald bedrag.

Uitspraak

03/1636 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 februari 2003 (geregistreerd onder nr. 01/1058 Anw), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 december 2004, waar appellante in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. H. Xhonneux, werk-zaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of gedaagde terecht bij het besluit van 1 mei 2001, beslissende op een bezwaarschrift van appellante, met herroeping en vervanging van zijn besluit van 17 november 2000, het nabestaandenpensioen van appellante heeft herzien met ingang van de maand maart 1998.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Evenals de rechtbank verwijst de Raad naar het beleid van gedaagde dat van herziening van de uitkering met terugwerkende kracht wordt afgezien als de uitkeringsgerechtigde al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante heeft kunnen begrijpen dat haar uitkering tot een te hoog bedrag werd uitbetaald nu haar inkomen hoger was geworden dan het inkomen op basis waarvan de uitkering was vastgesteld. Appellante heeft ter zitting van de Raad ook erkend dat dit haar duidelijk was. Het feit dat haar uitkering ondanks de opgave van haar inkomsten niet werd herzien, kan hieraan niet afdoen. Appelante kon hieraan niet het vertrouwen ontlenen dat de uitkering juist was. Evenmin doet daaraan af gedaagdes me-dedeling dat geen bericht zou worden verzonden als de verstrekte inkomensgegevens niet tot een wijziging van de uitkering zouden leiden; appellante mocht daaraan niet de ver-wachting ontlenen dat de uitkering juist was als zij geen nader bericht ontving.
De Raad hecht eraan – evenals de gemachtigde van gedaagde ter zitting – te benadrukken dat appellante niet het verwijt wordt gemaakt onjuiste of onvolledige gegevens te hebben verstrekt. Van belang in deze is slechts dat het appellante duidelijk kon zijn, hetgeen zij ter zitting heeft beaamd, dat de uitkering tot een te hoog bedrag werd uitbetaald.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking. Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) C.D.A. Bos.