ECLI:NL:CRVB:2005:AS3356

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5213 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AbwArt. 7, eerste lid, Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens onjuiste woonadresverstrekking

Appellant heeft op 26 juli 2001 een bijstandsuitkering aangevraagd bij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 21 augustus 2001 afgewezen omdat appellant onjuiste informatie had verstrekt over zijn woonadres. Uit onderzoek, waaronder een huisbezoek op 9 augustus 2001 en verklaringen tijdens een hoorzitting op 2 november 2001, bleek dat appellant niet daadwerkelijk woonde op het opgegeven adres.

De woning was gedurende de zomer van 2001 afgesloten van gas en elektra en appellant beschikte niet over een sleutel, had geen persoonlijke eigendommen in de woning en er was geen bed aanwezig in zijn kamer. Zijn persoonlijke bezittingen bevonden zich bij zijn toenmalige echtgenote. Hierdoor kon de gemeente niet vaststellen of appellant recht had op bijstand.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 65 van Pro de Algemene bijstandswet en bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag. Tevens wijst de Raad een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt terecht afgewezen wegens het verstrekken van onjuiste informatie over het woonadres.

Uitspraak

02/5213 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J.A.Th. Spoor, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2002, reg.nr. 01/4587 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Spoor, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 26 juli 2001 heeft appellant bij gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd.
Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen, op de grond dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt. Aangegeven is dat hij niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres, [adres] te [woonplaats].
Bij besluit van 23 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 november 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad vormt het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting van artikel 65 van Pro de Abw in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Abw een rechtsgrond voor weigering dan wel beëindiging van de bijstand, wanneer door die schending het recht op uitkering niet of niet langer kan worden vastgesteld.
De Raad is met gedaagde van oordeel dat op grond van de bevindingen van het huisbezoek op 9 augustus 2001 en de ten tijde van het huisbezoek en tijdens de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting van 2 november 2001 afgelegde verklaringen genoegzaam is komen vast te staan dat appellant, anders dan hij bij gedaagde heeft opgegeven, ten tijde in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres]. Zowel appellant als de hoofdbewoner hebben verklaard dat het pand in de zomer van 2001 een paar maanden was afgesloten van gas en elektra en dat zij daarom in die periode niet (vaak) in de woning hebben verbleven. Voorts acht de Raad van belang dat appellant bij het huisbezoek niet beschikte over een sleutel van het pand, hij geen persoonlijke eigendommen kon tonen en in de door hem getoonde kamer geen bed werd aangetroffen. Blijkens de verklaring van appellant tijdens de hoorzitting op 2 november 2001 bevonden zijn persoonlijke eigendommen zich ten tijde in geding op het adres van zijn toenmalige echtgenote.
De Raad merkt op dat voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand van wezenlijk belang is dat voldoende duidelijkheid wordt verschaft omtrent de woon- en leefsituatie. De Raad is van oordeel dat appellant in gebreke is gebleven om die duidelijkheid te verschaffen.
Gelet op het vorenstaande moet worden geconstateerd dat appellant niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw en dat gedaagde als gevolg hiervan niet in staat was vast te stellen of en zo ja, in welke mate appellant verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Gedaagde heeft de aanvraag van appellant om een bijstandsuitkering dan ook terecht afgewezen.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) M. Pijper.
JK/615