AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vermindering boete wegens overschrijding redelijke termijn bij looncontrole autopoetsers
Appellante exploiteert een transportbedrijf en betaalde in de jaren 1995-1999 kasbetalingen aan autopoetsers die niet in de salarisadministratie stonden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) legde correctienota's en boetenota's op omdat deze personen volgens het Uwv op basis van een arbeidsovereenkomst werkten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat de autopoetsers niet waren gehoord, dat er geen arbeidsovereenkomst was vanwege het ontbreken van gezag, dat de meeste autopoetsers jonger dan 16 jaar waren waardoor de overeenkomsten nietig zouden zijn, dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en dat de redelijke termijn voor het opleggen van boetes was overschreden.
De Raad oordeelde dat het niet horen van de autopoetsers geen schending van artikel 3:2 AwbPro opleverde, dat de arbeidsovereenkomst wel bestond, dat de nietigheid van overeenkomsten met minderjarigen niet aan de orde was omdat de overeenkomsten waren nageleefd, en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden omdat bijna vijf jaar was verstreken na de aankondiging van de boetes. Daarom werden de boetes met 10% gematigd van 25% naar 22,5%.
Uitkomst: De boetes worden gematigd van 25% naar 22,5% wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
02/3794 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante]., gevestigd te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is door mr. N.J.A. Raets, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 12 juni 2002 onder kenmerk 00/1438 door de rechtbank Maastricht gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een, nadien aangevuld, verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 november 2004, waar namens appellante is verschenen M. Hoebink, directrice van appellante, bijgestaan door mr. Raets, en gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hierbij met het volgende.
Appellante exploiteert een (inter)nationaal transportbedrijf en verhuurt daarnaast transportvoertuigen. In de jaren 1995 tot en met 1999 heeft appellante kasbetalingen gedaan aan niet in de salarisadministratie van appellante opgenomen personen in verband met het poetsen van haar wagenpark in het weekeinde op het bedrijfsterrein.
Naar aanleiding van een op 2 februari 2000 gehouden looncontrole heeft gedaagde op 2 mei 2000 correctienota’s en, na de aankondiging er van op 7 maart 2000, op 8 mei 2000 boetenota’s opgelegd over de jaren 1995 tot en met 1999. De correctienota’s zijn opgelegd vanwege de betalingen aan autopoetsers in de betreffende jaren. Gedaagde heeft ter zake het standpunt ingenomen dat deze autopoetsers hun werkzaamheden op grond van een arbeidsovereenkomst voor appellante hebben verricht. Gedaagde heeft boetes opgelegd ad 25% van de nageheven premies. Het bezwaar van gedaagde is bij het bestreden besluit van 2 oktober 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante haar in beroep ingenomen standpunten herhaald en naar voren gebracht dat het onderzoek van gedaagde onzorgvuldig is geweest nu geen van de betrokken autopoetsers is ondervraagd; dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst met de autopoetsers vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding en dat het grootste deel van de poetsers de 16-jarige leeftijd niet had bereikt, zodat de met hen gesloten overeenkomsten nietig zijn wegens strijd met artikel 3:1 vanPro de Arbeidstijdenwet. Ten slotte is appellante van mening dat gedaagde het vertrouwensbeginsel heeft geschonden nu hij de praktijk van gedaagde jarenlang heeft geaccordeerd en voorts dat, wat betreft de boete-oplegging de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
De Raad overweegt als volgt.
Gedaagde heeft artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet geschonden; gelet op de van appellante tijdens de looncontrole van (haar) directie verkregen informatie, was gedaagde niet gehouden tot het horen van de betrokken autopoetsers.
Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank aangenomen dat de autopoetsers in de hier van belang zijnde jaren hun werkzaamheden voor appellante op grond van een arbeidsovereenkomst hebben verricht. De Raad acht in dit verband van belang dat de op de bedrijfslocatie van appellante verrichtte werkzaamheden ook werden uitgevoerd door personen, die onbetwist wél in dienst waren van appellante, dat de werkzaamheden zijn ingebed in de bedrijfsvoering van appellante en dat het werk, blijkens de tijdens de looncontrole van appellante verkregen informatie, onder controle van appellante tegen betaling werd verricht.
Het betoog van appellante inzake de nietigheid van overeenkomsten met personen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, faalt, reeds omdat de overeenkomsten zijn nageleefd als waren zij rechtsgeldig. Onder die omstandigheden brengen doel en strekking van de Coördinatiewet sociale verzekering met zich dat de gesloten overeenkomsten ook tegenover gedaagde de daaraan normaal verbonden gevolgen hebben. De Raad vindt hiervoor steun in het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002, in de zaak 36905, LJN AE4473.
Het niet nader onderbouwde beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de Raad terecht en op goede gronden door de rechtbank verworpen. Uit het door gedaagde overgelegde looncontrolerapport over de jaren 1990 tot en met 1994 blijkt in elk geval niet dat de betalingen aan autopoetsers in het verleden onderwerp van bespreking zijn geweest. Ter zitting van de Raad heeft de directrice van appellante dit overigens ook bevestigd. Ook anderszins is van een expliciete standpuntbepaling van gedaagde niet gebleken.
Het beroep van appellante op de overschrijding van de redelijke termijn wat betreft de opgelegde boete treft naar het oordeel van de Raad doel. Na de brief van 7 maart 2000, waarmee de boetes door gedaagde werden aangekondigd, zijn inmiddels al vier jaar en tien maanden verstreken, terwijl in dit geval bepaald niet kan worden gesproken van een gecompliceerde zaak. De Raad is van oordeel dat deze termijn dermate lang is dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM. De Raad vindt hierin aanleiding de opgelegde boetes met 10% te matigen. Onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb stelt de Raad de aan appellante opgelegde boetes vast op 22,5% van de ambtshalve vastgestelde premies.
Vorenstaande overwegingen leiden ertoe dat de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de opgelegde boetenota’s de rechterlijke toets kunnen doorstaan, voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, in beide instanties wegens de haar verleende rechtshulp begroot op € 1.288,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij de ten aanzien van appellante opgelegde boetes in stand heeft gelaten;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt de boetes ten aanzien van appellante op 22,5% van de ambtshalve vastgestelde premie en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot € 622,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 622,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante de betaalde rechten tot een bedrag van € 531,20 vergoedt.
Gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2005.