ECLI:NL:CRVB:2004:AS3233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WAO-uitkering. Het bezwaar werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet-ontvankelijk verklaard omdat de motivering onvoldoende concreet zou zijn en niet binnen de termijn was aangevuld. De rechtbank onderschreef deze beoordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant dat het bezwaarschrift wel voldoet aan de eisen van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het een concrete bezwaargrond bevat, namelijk dat de motivering van het besluit onduidelijk en medisch en arbeidskundig onjuist is. Daarnaast stelt appellant dat een latere brief van 7 december 2001 bij de beslissing op bezwaar betrokken had moeten worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat een summiere motivering in het bezwaarschrift voldoende kan zijn mits er sprake is van een concrete bezwaargrond die op het individuele geval betrekking heeft. Appellants bezwaar voldoet hieraan. Het besluit tot niet-ontvankelijkheid is daarom onterecht. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit en bepaalt dat het Uwv het bezwaar inhoudelijk moet behandelen. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de WAO-uitkering wordt ontvankelijk verklaard en het Uwv moet het bezwaar inhoudelijk behandelen.