Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS2124

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/1209 ALGEM + 02/1210 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 3 ZiekenfondswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht en weigering uitstel betaling premienota’s taxichauffeurs

In deze zaak staat de verzekeringsplicht van taxichauffeurs centraal, waarbij appellant bezwaar maakte tegen premienota’s over de jaren 1996 en 1997 die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) zijn opgelegd. De Raad bevestigt dat taxichauffeurs, ondanks privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, als verzekeringsplichtigen worden beschouwd omdat zij feitelijk werkzaamheden verrichten voor de oorspronkelijke exploitanten van taxivergunningen.

Appellant voerde aan dat de arbeidsovereenkomsten met reservechauffeurs slechts administratieve handelingen waren, maar de Raad oordeelde dat deze overeenkomsten daadwerkelijk bestonden en dat betalingen aan deze chauffeurs hebben plaatsgevonden. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin de verzekeringsplicht en de weigering van uitstel van betaling reeds zijn bevestigd.

Omdat het besluit tot verzekeringsplicht onherroepelijk is geworden en appellant geen nieuwe gronden aanvoert, bevestigt de Raad de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om uitstel van betaling wordt geweigerd. De uitspraak is gedaan in aanwezigheid van de voorzitter en leden van de Raad op 16 december 2004.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verzekeringsplicht en weigering van uitstel van betaling worden bevestigd.

Uitspraak

02/1209 ALGEM + 02/1210 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 99/1176 en 99/8304, van 11 januari 2002.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar voor appellant - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten de besluiten van gedaagde waarin deze verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [J. B.], [P. L.], [I. K.] (hierna ook: mede-vennoten),
[M. B.], [A. S.] en [D. O.] (hierna ook: reservechauffeurs) en dienaangaande nota’s ingevolge de sociale verzekeringswetten aan appellant heeft gezonden betreffende de jaren 1996 en 1997 en tevens heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot deze nota’s.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In onderhavig geding was appellant de oorspronkelijke exploitant. De werk- zaamheden werden verricht in het verband van een vennootschap onder firma ([naam firma]) met als - deels opvolgende - vennoten [B.], [K.] en [L.] en appellant.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003
(LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.
Omtrent de verzekeringsplicht van de hierboven genoemde mede-vennoten stelt de Raad vast dat hieromtrent door gedaagde op 5 december 1997 een besluit aan appellant is toegezonden. De Raad houdt het er voor, ondanks de ontkenning eerst in hoger beroep van de ontvangst hiervan, dat dit besluit appellant wel heeft bereikt. Zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase is dit besluit toegezonden aan de (gemachtigde van) appellant, waarop nimmer is gereageerd met de stelling dat dit besluit onbekend was. Ook uit het verslag van de hoorzitting van 25 september 1998 maakt de Raad op dat appellant bekend was met bedoeld besluit. Nu genoemd besluit in rechte onaantastbaar is geworden, kan de verzekerings- plicht in onderhavig geding niet meer aan de orde komen.
Met betrekking tot de aanwezigheid van een verzekeringsplichtige (en premieplichtige) arbeidsverhouding tussen de zogeheten reservechauffeurs en appellant overweegt de Raad als volgt.
Uit de gedingstukken blijkt dat er arbeidsovereenkomsten zijn gesloten tussen enerzijds appellant en anderzijds de reservechauffeurs. Appellant erkent dat de reservechauffeurs feitelijk werkzaamheden hebben verricht en dat zij daarvoor betalingen hebben ontvangen. Onder die omstandigheden moet van het bestaan van deze arbeidsovereenkomsten tussen appellant en de reservechauffeurs worden uitgegaan. De enkele stelling dat de arbeidsovereenkomsten enkel een “administratieve handeling” betroffen met het oog op het verkrijgen van een vervangend rooster, is onvoldoende voor een andersluidend oordeel.
In genoemde uitspraak van 23 oktober 2003 heeft de Raad ook geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Ook daaromtrent ziet de Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.
Derhalve kunnen alle grieven van appellant niet slagen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.