ECLI:NL:CRVB:2004:AS2078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht van taxichauffeurs en gedifferentieerde premieheffing bevestigd
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die een besluit van 15 juni 1999 vernietigde wegens een zogenaamd ernstig motiveringsgebrek. Het besluit betrof de verzekeringsplicht van taxichauffeurs werkzaam bij een onderneming onder leiding van gedaagde.
De rechtbank had geoordeeld dat het besluit onvoldoende duidelijkheid bood over welke vennoten verzekerd waren en vanaf welke datum de verzekeringsplicht gold. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het besluit voldoende duidelijkheid bevatte over de betrokken vennoten en de ingangsdatum van de verzekeringsplicht, waardoor vernietiging van het vonnis van de rechtbank op zijn plaats was.
De Raad bevestigde dat de taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in diverse sociale zekerheidswetten, in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding staan tot de oorspronkelijke exploitant van de taxivergunning. Eerder werd in een uitspraak van 23 oktober 2003 eenzelfde standpunt ingenomen, en de Raad zag geen reden om daarvan af te wijken.
Verder oordeelde de Raad dat het Uwv terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen voor de premienota’s en dat de gedifferentieerde premieheffing voor 1999 correct is toegepast, waarbij gedaagde als nieuwe onderneming in de categorie kleine werkgevers werd aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het Uwv ongegrond, waarbij het geschil zonder terugverwijzing werd afgedaan.
Uitkomst: Het beroep van het Uwv wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verzekeringsplicht en premieheffing wordt gehandhaafd.