Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS2076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/774/ALGEM + 02/775 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht en premies taxichauffeurs door UWV

De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) inzake de verzekeringsplicht van taxichauffeurs en de daaruit voortvloeiende premienota's over 1997 en 1998.

De Raad constateert dat het besluit over de verzekeringsplicht op correcte wijze aan appellant is bekendgemaakt en in rechte vaststaat. Appellant heeft niet betwist dat het besluit op het correspondentieadres is ontvangen, hoewel hij stelde niet op de hoogte te zijn geweest.

Aangezien de verzekeringsplichtige arbeidsverhouding vaststaat, richt het geschil zich op de hoogte van de premienota's. De Raad stelt vast dat appellant geen specifieke grieven tegen de nota's heeft aangevoerd en dat er geen gebreken aan de besluiten zijn gebleken.

Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep het vonnis van de rechtbank Amsterdam en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

02/774 ALGEM
02/775 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], handelend onder de naam [naam eenmanszaak], wonende te Amsterdam, appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 00/3764 en 00/3871, van 19 december 2001.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november 2004, waar voor appellant - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Vooraf merkt de Raad op dat hij bij de tenaamstelling van de aangevallen uitspraak sprake acht van een kennelijke misslag. De rechtbank heeft de uitspraak gewezen met (de vennoten van de) [naam eenmanszaak] als eisende partij, terwijl het beroep was ingesteld namens [appellant]. De Raad vat de aangevallen uitspraak op als te zijn gewezen ten name van [appellant] als eisende partij en beschouwt het hoger beroep ook ingesteld namens hem. Blijkens hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht is steeds duidelijk geweest dat [appellant] partij is in het geding.
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten de besluiten van gedaagde waarin deze een voorschot- en afrekeningsnota betreffende het jaar 1997 aan appellant heeft gezonden alsmede voor het jaar 1998 de premies ambtshalve heeft vastgesteld wegens het bestaan van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen appellant en [betrokkenen] (hierna: betrokkenen).
De Raad stelt vast dat omtrent de verzekeringsplicht van betrokkenen door gedaagde naar het, door appellant opgegeven, correspondentieadres op 12 januari 1998 een besluit is gezonden. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Hoewel appellant stelt niet op de hoogte te zijn geweest van dit besluit, moet de Raad constateren dat hij niet heeft ontkend dat dit besluit op het correspondentieadres (zijnde het kantoor van zijn externe administrateur) is ontvangen. Daarmee staat naar het oordeel van de Raad vast dat dit besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt en in rechte is komen vast te staan. Nu derhalve vaststaat dat er sprake is van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding kunnen in dit geding, dat ziet op, naar aanleiding van deze verzekeringsplicht opgelegde premienota’s, nog slechts die grieven aan de orde komen die zien op de (hoogte van de) nota’s als zodanig. De Raad moet constateren dat tegen deze nota’s geen separate grieven zijn aangevoerd. De Raad is ook anderszins niet gebleken dat er gebreken kleven aan deze besluiten.
Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.