ECLI:NL:CRVB:2004:AS2075

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/746 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering uitstel betaling premies sociale verzekeringen taxichauffeurs

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin werd bepaald dat zij een voorschotnota premies sociale verzekeringen over 1997 moest betalen zonder uitstel van betaling.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsplicht en premieplicht onbetwist en rechtsgeldig zijn vastgesteld, aangezien het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk is verklaard en er geen rechtsmiddelen meer zijn ingezet. Hierdoor kan in hoger beroep alleen nog worden getwist over de hoogte van de nota, maar appellante heeft geen aparte grieven aangevoerd.

De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin werd geoordeeld dat uitstel van betaling van premienota’s terecht werd geweigerd. De Raad ziet geen reden om hiervan af te wijken en bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank.

Er is geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing is genomen in aanwezigheid van de voorzitter en leden, en uitgesproken op 16 december 2004.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van uitstel van betaling van de premienota.

Uitspraak

02/746 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/9621, van 19 december 2001.
Gedaagde heeft bij brief van 11 april 2002 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten de besluiten van gedaagde waarin deze aan appellante heeft opgelegd een voorschotnota premies sociale verzekeringen 1997 en heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot deze nota.
Met de rechtbank stelt de Raad vast dat niet in geschil is of op juiste gronden verzekeringsplicht en premieplicht is vastgesteld. Het besluit dienaangaande is in rechte onaantastbaar geworden nu een tegen dat besluit ingediend bezwaarschrift door gedaagde niet-ontvankelijk is verklaard en appellante daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Nu derhalve de premieplicht vaststaat kunnen in dit geding alleen nog die grieven aan de orde komen die zien op de (hoogte van de) nota als zodanig. De Raad moet constateren dat namens appellante daartegen geen separate grieven zijn aangevoerd.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). In genoemde uitspraak heeft de Raad ook geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Daaromtrent ziet de Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.