Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS2040

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/6401 ALGEM + 01/6403 ALGEM + 01/6404 ALGEM + 01/6406 ALGEM + 01/6407 ALGEM + 01/6408 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 3 ZiekenfondswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht taxichauffeurs en premieplicht werkgever

De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de verzekeringsplicht van taxichauffeurs en de daaraan verbonden premieplicht. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had premienota’s verzonden aan appellante voor de jaren 1996 tot en met 1998 en 2000, waarbij uitstel van betaling was geweigerd.

Het geschil vloeit voort uit een grootschalig onderzoek naar de taxibranche dat in 1994 werd gestart vanwege zorgen over de exploitatie van Amsterdamse taxiondernemingen. Uit dit onderzoek concludeerde het Uwv dat taxichauffeurs, ondanks privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, feitelijk als werknemers van de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunningen werkten. Appellante was een van deze exploitanten en werkte samen met betrokkenen in twee vennootschappen onder firma.

De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin dezelfde materiële arbeidsverhouding werd beoordeeld en bevestigt dat de verzekeringsplicht en premieplicht terecht zijn vastgesteld. De Raad corrigeert een onjuiste constatering van de rechtbank dat appellante als vennoot aansprakelijk was, en stelt vast dat zij als werkgever is aangesproken, hetgeen ook nooit ter discussie stond. De Raad ziet geen reden om af te wijken van de eerdere beslissingen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, inclusief de weigering van uitstel van betaling.

Uitkomst: De verzekeringsplicht en premieplicht van appellante als werkgever worden bevestigd en het verzoek om uitstel van betaling wordt afgewezen.

Uitspraak

01/6401 ALGEM, 01/6403 ALGEM,
01/6404 ALGEM, 01/6406 ALGEM,
01/6407 ALGEM, 01/6408 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/9133, 00/3380, 00/3381, 00/3379, 00/4322 en 00/4634, van 7 november 2001.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag de rechtbank op juiste gronden de bestreden besluiten in stand heeft gelaten. In deze besluiten heeft gedaagde verzekeringsplicht aangenomen voor [betrokkenen] (hierna: betrokkenen) en dienaangaande nota’s ingevolge de sociale verzekeringswetten aan appellante gezonden betreffende de jaren 1996 tot en met 1998 en 2000 en tevens geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de afrekeningsnota 1998.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In onderhavig geding was appellante de oorspronkelijke exploitant. De werkzaamheden werden verricht in het verband van twee verschillende vennootschappen onder firma ([vof 1] en [vof 2]) met als vennoten betrokkenen en appellante.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen tussen appellante en betrokkenen en daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden.
In genoemde uitspraak van 23 oktober 2003 heeft de Raad ook geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Ook daaromtrent ziet de Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.
De Raad acht het aangewezen in onderhavig geding hier nog het volgende aan toe te voegen.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellante, als vennoot van de verschillende vennootschappen, kon worden aangesproken voor de premienota’s. Met appellante is de Raad van oordeel dat dit geen juiste constatering is, nu uit het voorgaande volgt dat appellante als werkgever kon worden aangesproken. Nu echter alle besluiten aan appellante zijn toegezonden in haar hoedanigheid van werkgever en uit de gedingstukken duidelijk naar voren komt dat het tussen partijen ook nooit een discussiepunt is geweest dat appellante gezien werd als de werkgever, kan de Raad aan deze omissie van de rechtbank niet die gevolgen verbinden die appellante daaraan gehecht wil zien.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.