ECLI:NL:CRVB:2004:AS2040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht taxichauffeurs en premieplicht werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de verzekeringsplicht van taxichauffeurs en de daaraan verbonden premieplicht. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had premienota’s verzonden aan appellante voor de jaren 1996 tot en met 1998 en 2000, waarbij uitstel van betaling was geweigerd.
Het geschil vloeit voort uit een grootschalig onderzoek naar de taxibranche dat in 1994 werd gestart vanwege zorgen over de exploitatie van Amsterdamse taxiondernemingen. Uit dit onderzoek concludeerde het Uwv dat taxichauffeurs, ondanks privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, feitelijk als werknemers van de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunningen werkten. Appellante was een van deze exploitanten en werkte samen met betrokkenen in twee vennootschappen onder firma.
De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin dezelfde materiële arbeidsverhouding werd beoordeeld en bevestigt dat de verzekeringsplicht en premieplicht terecht zijn vastgesteld. De Raad corrigeert een onjuiste constatering van de rechtbank dat appellante als vennoot aansprakelijk was, en stelt vast dat zij als werkgever is aangesproken, hetgeen ook nooit ter discussie stond. De Raad ziet geen reden om af te wijken van de eerdere beslissingen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, inclusief de weigering van uitstel van betaling.
Uitkomst: De verzekeringsplicht en premieplicht van appellante als werkgever worden bevestigd en het verzoek om uitstel van betaling wordt afgewezen.