ECLI:NL:CRVB:2004:AS2019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht taxichauffeurs in privaatrechtelijke dienstbetrekking
In deze zaak staat centraal of taxichauffeurs die werkzaam zijn binnen een vennootschap onder firma onder de verzekeringsplicht van sociale verzekeringswetten vallen. Appellante, als oorspronkelijke exploitant van de taxivergunning, werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) als premieplichtige aangemerkt voor de aan betrokkenen gedane betalingen.
De Raad baseert zich op een grootschalig onderzoek naar de taxibranche dat in 1994 is gestart, waaruit bleek dat taxichauffeurs ondanks firmaregelingen feitelijk in privaatrechtelijke dienstbetrekking werkten. Dit oordeel sluit aan bij een eerdere uitspraak van de Raad van 23 oktober 2003, waarin een soortgelijke arbeidsverhouding werd vastgesteld.
De Raad oordeelt dat de verzekeringsplichtige arbeidsverhouding terecht is aangenomen en dat de premieplichtige consequenties voor appellante terecht zijn vastgesteld. Er zijn geen gronden om af te wijken van de eerdere jurisprudentie en ook geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom wordt de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd en blijft de premieplicht van appellante in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de premieplicht van appellante voor taxichauffeurs in privaatrechtelijke dienstbetrekking.