ECLI:NL:CRVB:2004:AR8764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. de Mooy
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit samenvoeging arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en afwijzing werkloosheidsuitkering
Appellant, die sinds 1987 een WAO-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid, kreeg per 1998 zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen samengevoegd met een vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Tevens werd een terugvordering van te veel betaalde uitkeringen vastgesteld.
Appellant vroeg daarnaast een werkloosheidsuitkering aan, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet als werknemer in de zin van de WW werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de aanvraag uitsluitend betrekking had op een WW-uitkering en niet op een ambtelijke werkloosheidsuitkering volgens de UR’66.
De Raad overwoog verder dat appellant redelijkerwijs in verzuim was bij het indienen van het bezwaar tegen het samenvoegingsbesluit en dat het USZO bevoegd was het besluit namens de gedaagde te nemen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarmee de bezwaren van appellant ongegrond bleven.
Uitkomst: De Raad bevestigt de samenvoeging van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en wijst het beroep tegen de afwijzing van de werkloosheidsuitkering af.