ECLI:NL:CRVB:2004:AR8695

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/59 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake beoordeling beperkingen appellant in WAO-zaken

Appellant stelde beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin werd geoordeeld dat de verzekeringsartsen terecht geen te geringe beperkingen hadden vastgesteld bij appellant in het kader van de WAO.

Appellant voerde aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen en ondersteunde dit met een medisch rapport van een orthopedisch chirurg. Dit rapport werd tijdens de zitting besproken, maar gaf geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te herzien.

De Raad concludeerde dat het rapport onvoldoende relevant was voor de datum van beoordeling en dat de bevindingen van de verzekeringsartsen en het bestreden besluit juist waren. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De zaak betreft de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en de mate van beperkingen van appellant volgens de WAO, waarbij het medisch bewijs en de interpretatie daarvan centraal stonden.

De uitspraak werd op 15 december 2004 door de Centrale Raad van Beroep in het openbaar gegeven.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat appellant geen te geringe beperkingen heeft volgens de verzekeringsartsen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/59 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een op 14 november 2002 door de rechtbank Breda tussen partijen gewezen uitspraak (reg.nr. 01/1793 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 24 maart 2003 nadere stukken.
Appellant heeft bij fax van 5 november 2004 een medisch rapport ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door H.J.M. de Man, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. A.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De feiten die in onderdeel 2.1 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard onder de overweging dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe beperkingen hebben vastgesteld. Appellant kan zich hiermee niet verenigen en heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn beperkingen om volledig dan wel nagenoeg volledig te kunnen functioneren. Hij heeft in zijn beroepschrift aangekondigd deze stelling door middel van de uitkomst van een medisch onderzoek te zullen ondersteunen. Aan deze aankondiging heeft appellant gevolg gegeven door op 5 november 2004 een op 21 mei 2003 opgemaakt rapport in te zenden van de orthopedisch chirurg A.J.P. Joosten.
Ter zitting is namens appellant aangevoerd dat in dit rapport steun wordt gevonden voor de stelling van appellant dat hij niet in staat is gedurende een volledige werkweek te werken.
De Raad kan, evenmin als gedaagde, in het rapport steun vinden voor deze stelling.
In de eerste plaats is het maar de vraag in hoeverre de bevindingen van Joosten relevant kunnen zijn voor de datum in geding, te weten 28 augustus 2001, nu Joosten in zijn conclusie aangeeft dat er in het laatste jaar progressieve pijnklachten zijn laag in de rug met een uitstralend gevoel in vooral het linker been soms tot aan de kuit en dat appellant op grond hiervan belasting minder goed kan uitvoeren en bij werkinspanning regelmatig rust moet nemen. Daarnaast is deze conclusie louter gebaseerd op de anamnese van appellant. Zijn uiteindelijke overwegingen geven aan dat gezien zijn bevindingen bij lichamelijk onderzoek en röntgenonderzoek sprake is van een toestand na een wervelbreuk, waarbij het aannemelijk is dat er een verminderde belastbaarheid van de thoraco-lumbale wervelkolom bestaat. Deze overwegingen sluiten aan bij de bevindingen van de verzekeringsartsen en de vastgestelde belastbaarheid.
Nu het door appellant in geding gebrachte rapport de Raad geen aanleiding heeft gegeven de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van de medische kant van de zaak niet juist te achten en er niet is gebleken van onvolkomenheden in het bestreden besluit of de wijze van totstandkoming daarvan, kan ook overigens het oordeel van de rechtbank worden onderschreven. Deze overweging brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) A. van Netten.