ECLI:NL:CRVB:2004:AR8682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld na zwangerschapsverlof bij niet-zwangerschapsgerelateerde klachten
Appellante was werkzaam als verkoopster in een slagerij en ontving ziekengeld tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof. Na afloop van dit verlof meldde zij zich ziek vanwege rug- en schouderklachten. Een verzekeringsarts verklaarde haar per 1 augustus 2001 hersteld, waarna het UWV het ziekengeld weigerde. Appellante betwistte dit, stellende dat haar werkzaamheden bovenhandse bewegingen vereisten die haar klachten verergerden.
De Raad overwoog dat op grond van de Ziektewet alleen recht op ziekengeld bestaat indien de ongeschiktheid verband houdt met zwangerschap of bevalling. Medische stukken toonden aan dat de nek- en schouderklachten niet zwangerschapsgerelateerd waren. Bovendien had een arbeidsomstandighedenonderzoek geen bovenhandse werkzaamheden vastgesteld.
De rechtbank had het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. Appellante had volgens de Raad vanaf 1 augustus 2001 recht op loonbetaling door haar werkgever, aangezien de ongeschiktheid niet voortkwam uit zwangerschap of bevalling. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld bevestigd.