ECLI:NL:CRVB:2004:AR8486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage aan uitwonend kind
Appellante verzocht om hervatting van kinderbijslag voor haar uitwonende kind, nadat deze eerder was beëindigd wegens uithuisplaatsing. De Sociale verzekeringsbank had de kinderbijslag stopgezet omdat appellante niet minimaal f 791,- per kwartaal had bijgedragen in de onderhoudskosten van het kind, zoals vereist volgens de Algemene Kinderbijslagwet.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante in het eerste en tweede kwartaal van 2001 minder dan de vereiste onderhoudsbijdrage heeft betaald. Dit blijkt uit schriftelijke verklaringen, betalingsgegevens van het LBIO en opgaven van appellante over reiskosten en kledinguitgaven. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij andere kosten heeft gemaakt die meetellen voor het onderhoud.
Verder heeft de Raad geoordeeld dat het horen van appellante niet noodzakelijk was en dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van de Sociale verzekeringsbank en het vonnis van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat appellante niet voldoende heeft bijgedragen aan het onderhoud van haar uitwonende kind.