ECLI:NL:CRVB:2004:AR8477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WAO-uitkering en schending redelijke termijn bestuursprocedure
Appellant ontvangt sinds 1990 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2000 heeft het UWV een korting toegepast op zijn uitkering wegens inkomsten uit arbeid als oproepkracht, en een bedrag teruggevorderd. Appellant betwistte de hoogte van het maatmaninkomen, de wijze van indexering, de middeling van arbeidsinkomsten, en de berekening van het terugvorderingsbedrag.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de indexering van het maatmaninkomen correct is toegepast volgens de geldende systematiek en dat middeling van inkomsten over langere perioden niet passend is bij wisselende maandelijkse inkomsten. Ook de vergoeding voor vrije dagen en vakantiedagen behoort tot het inkomen en mag niet buiten de korting worden gelaten. De berekening van het terugvorderingsbedrag is transparant en niet betwist op concrete gronden.
Wel oordeelt de Raad dat de bestuursrechtelijke procedure een schending van de redelijke termijn bevat, met name door onverklaarde stilleggingen in hoger beroep. Dit leidt echter niet tot materiële gevolgen voor het bestreden besluit. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De korting op de WAO-uitkering wordt bevestigd en er is sprake van een schending van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure zonder materiële gevolgen.