ECLI:NL:CRVB:2004:AR8475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatmaninkomen bij vaststelling WAZ-uitkering zelfstandige paardenmelker
Appellant, een zelfstandige werkzaam in een paardenmelkerij, kreeg een WAZ-uitkering vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering werd op nihil gesteld voor de periode 18 juni tot 31 december 1998 vanwege verdiensten in dat jaar. Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van het maatmaninkomen, dat was gebaseerd op het gemiddelde van de nettowinst over 1994, 1995 en 1996, geïndexeerd naar 1998.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het uitgangspunt voor het maatmaninkomen de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de drie laatste boekjaren vóór arbeidsongeschiktheid is. Afwijking hiervan is niet gerechtvaardigd, ook niet vanwege het feit dat appellant een startende ondernemer is of vanwege waarderingswijzigingen en stille reserves.
De Raad stelt dat toekomstige inkomensontwikkelingen niet meegenomen kunnen worden zonder redelijke mate van zekerheid. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het maatmaninkomen correct is vastgesteld en wijst het beroep van appellant af.