ECLI:NL:CRVB:2004:AR8128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering en boete wegens verzwegen inkomsten uit arbeid
Appellanten ontvingen sinds 1983 een bijstandsuitkering. Gedaagde heeft het recht op bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met 28 februari 2001 herzien en de te veel ontvangen bijstand van f 2.646,74 teruggevorderd wegens verzwegen werkzaamheden bij een hoveniersbedrijf. Tevens is een boete van f 275,-- opgelegd vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De Raad stelde vast dat appellant gedurende 28 dagen werkzaamheden verrichtte die economische waarde hadden, waaronder het ontvangen van kunstmest, graszoden en gebruik van gereedschap. Appellanten hebben deze activiteiten niet gemeld, ondanks eerdere waarschuwingen uit voorgaande jaren. Hierdoor is de inlichtingenplicht geschonden en was intrekking en terugvordering gerechtvaardigd.
De opgelegde boete is volgens de Raad terecht en correct vastgesteld volgens het Boetebesluit socialezekerheidswetten. De Raad overwoog ook dat de boete als straf in de zin van het IVBPR moet worden gezien en dat de latere regelgeving met een lagere sanctie niet van toepassing is op deze zaak. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstandsuitkering met boete wordt bevestigd.